Hoofdstuk 3: ONDERWIJSINHOUD
 
 
 

3.1.     Taal

 

Taal bestaat uit spreken, luisteren, lezen en stellen. De taalontwikkeling begint al in de wieg en duurt een heel leven.

Taal heb je nodig om te communiceren, om te kunnen denken, om de wereld om je heen te kunnen ordenen en om je creatief te kunnen uiten.

Omdat taal in ons hele leven zo'n belangrijke plaats inneemt, besteden we er veel tijd aan op school.

We gebruiken de methode Taalleesland. Deze uitgebreide methode biedt een duidelijke structuur in leerstof op het gebied van woordenschat, begrijpend lezen, taalbeschouwing, stellen, leesbeleving, luisteren en spreken. De methode kent een aparte leergang voor spelling.

Er is aangepaste oefenstof voor kinderen die achterblijven in hun taalontwikkeling en voor kinderen die meer aankunnen. Omdat Taalleesland een uitgebreide methode is, maken we een weloverwogen selectie uit het aanbod.

 

 

3.2.    Lezen

 

Met ingang van het schooljaar 09-10 zijn we in groep 3 gestart met de aanvankelijk leesmethode Veilig leren lezen. In het schooljaar 10-11 zijn we in groep 4 voor voortgezet technisch lezen gestaart met de methode Lekker Lezen. Het komende schooljaar zullen ook de groepen 5 en 6 hier mee gaan werken.

In groep 1/2 wordt kennis gemaakt met geschreven taal door middel van voorlezen en het spelen met letters. Een kind dat verder wil met het  ontsleutelen  van letters en woorden krijgt hiervoor ruimte en kan ervaringen opdoen met geschreven taal.

Het kind wordt gestimuleerd om ontdekkend te leren lezen.

Voor kinderen die in groep 2 nog niet geïnteresseerd zijn in letters en lezen start het leren lezen in groep 3.

In groep 6 hebben bijna alle kinderen het eindniveau (avi-niveau 9) bereikt. Wie het niet lukt, krijgt extra instructie.

In het komende schooljaar staat de keuze voor een methode voor technisch voortgezet lezen op de rol.

Vrij lezen en duolezen zijn wezenlijke onderdelen van het leren lezen, waarin leesplezier een belangrijk element is. Lezen in een op het kind afgestemd leesniveau vergroot eveneens het leesplezier.

In ons documentatiecentrum beschikken we over een groot boekenbestand, waarin we de verhalende boeken behalve op A, B, C – niveau ook op leerjaarniveau hebben ingedeeld. De boeken voorzien van een blauwe stip zijn speciaal bestemd voor kinderen die wat problemen hebben met lezen.

Het op een voldoende niveau technisch kunnen lezen is een voorwaarde om tot goed tekstbegrip te komen. Wij beschouwen ‘begrijpend lezen’ als een van de kernvakken van de basisschool. Begrijpend lezen ondersteunt het bestuderen van proefwerken in o.a. de wereldoriënterende vakken.

 

 

3.3.     Mediatheek

 

In het computergedeelte van de mediatheek kunnen de leerlingen werken aan 16 multimediale computers. Deze zijn met elkaar verbonden d.m.v. een Windows-XP-netwerk. Verder kan men gebruik maken van een scanner, een beamer en digitale camera’s. De computers zijn allemaal uitgerust met 2 koptelefoons, zodat geluid optimaal benut kan worden zonder dat de leerlingen elkaar storen. Op deze manier kan een volledige groep kinderen in tweetallen aan de computer werken. Ook kan de helft van de groep alleen aan de computer, terwijl de anderen bezig zijn in het boekengedeelte van de mediatheek. De groepen 3 t/m 8 maken hiervan op vaste tijden gebruik.

In ieder klaslokaal staat minimaal één netwerk-computer en de groepen 4 t/m 8 maken ook gebruik van een viertal centrale computerhoeken.

Leerlingen gebruiken software voor bijna alle leergebieden. Het vergaren van informatie kan met gebruik van multimediale encyclopedieën of via het Internet.

De mediatheek heeft de beschikking over een actuele collectie boeken. In de kasten staan zo’n 8000 exemplaren: informatieve en verhalende boeken en prentenboeken. Verder zijn er nog boeken die speciaal voor leerkrachten bestemd zijn en diverse tijdschriften. Het boekenbestand is qua samenstelling afgestemd op de doelgroep: kinderen van 4 t/m 12 jaar.

De Werkgroep Documentatiecentrum (D.C.) houdt zich bezig met de aanschaf, het inwerken en het onderhoud van de boeken.

Op onze school wordt veel gedaan aan leesbevordering en leesplezier. Vanuit de Werkgroep Documentatiecentrum worden daartoe jaarlijks meerdere aanzetten gegeven zoals b.v. de activiteiten rond de Kinderboekenweek, de Kinderjury, de Voorleeskampioen en het leren omgaan met het opzoeksysteem van de computer.

De informatieve boeken worden veelvuldig gebruikt bij het maken van werkstukken en spreekbeurten. Bij thema's uit de taalmethode en onderwerpen van wereldoriëntatie worden passende boeken gezocht, die gedurende de tijd dat het thema loopt een plaatsje in de klas krijgen. De kinderen kunnen iedere dag onder schooltijd hun leesboek ruilen.

Onze school is een samenwerkingsverband aangegaan met de Openbare Bibliotheek Hapert. Ieder schooljaar vinden er gedurende 6 á 7 weken allerlei activiteiten plaats in het kader van lezen, leesbevordering en leesplezier zowel op school als in de Openbare Bibliotheek. Het project heet ‘De Rode Draad’. De activiteiten lopen nl. als een doorgaande lijn, een rode draad, door de leerjaren heen. Alle kinderen van de school nemen eraan deel van groep 1 tot en met groep 8. Ook bij dit project worden de boeken uit de mediatheek bij de verschillende onderdelen in de groepen ingezet.

De betrokkenheid van de ouders bij het D.C. is groot. Veel ouders zetten zich actief in voor verschillende activiteiten.

Behalve de Werkgroep D.C. verzorgt een aantal ouders de boekenuitleen. De uitleen is volledig geautomatiseerd met behulp van Educat-B en er kan op elk moment van de schooldag geleend worden. Andere ouders helpen op verzoek van de leerkracht kinderen uit een groep met het zoeken van boeken voor hun werkstuk en/of spreekbeurt. Ook zijn er ouders die kleine groepjes kinderen uit groep 4 helpen bij het opzetten en instuderen van hun eerste spreekbeurt. Zij werken daarnaast met prentenboeken in de groepen 3 en 4 en verzorgen de lees-promotie-activiteiten voor de groepen 1/2.

 

 

3.4.    Engels

 

In de bovenbouw krijgen de kinderen Engels. De nadruk ligt op het verstaan en het zelf spreken. We werken met thema's zoals de familie, de school, in en om het huis, sport en kleding. Ook lezen en schrijven zitten al in het programma. Bij het luisteren en zelf spreken gebruiken we cassettebandjes en de video, zodat de uitspraak op de juiste manier wordt aangeleerd. Voor Engels maken we gebruik van de methode: Real English - Let's do it.

 

 

3.5.    Schrijven

 

Om goed te kunnen schrijven moeten kinderen geoefend zijn in het coördineren van grote en kleine bewegingen. Gecoördineerde schrijfbewegingen bevor-deren namelijk een vloeiend en leesbaar handschrift. Hiervoor hebben kinderen veelzijdige bewegingservaringen nodig met het totale lichaam, de rechter lichaamshelft, de linker lichaamshelft of bijvoorbeeld met twee handen. Hierdoor ontstaat een natuurlijke groei naar bewustwording van links-en rechtshandig-heid en het ontwikkelen van de voorkeurshand. Als dat bereikt is, kunnen we een kind ‘schrijfrijp’ noemen. Deze ontwikkeling verloopt bij ieder kind in een eigen tempo. Een kind kan pas starten met het schrijven van letters en cijfers als het ‘schrijfrijp’ is.

In groep 1 en 2 bevorderen we de grote en kleine motoriek door te werken aan:

·         evenwicht

·         tweezijdig werken op bord en papier

·         tweehandig ruimtelijk werk

·         lichaamsoriëntatie

·         ritmische lijnen op muziek

·         spiegelen en draaien

In groep 3 starten we met het aanleren van het schrijven van letters en cijfers. Kinderen leren hierbij drie steunpunten: begin-, rust- en eindpunt. Elke letter start bij groen, verandert van richting bij oranje en stopt bij rood. We noemen ze daarom ‘stoplichtletters’.

Na het beheersen van de letters worden de verbindingen aangeboden, zodat de kinderen eind groep 3 het verbonden schrift beheersen. In groep 4 wordt doorgegaan met het oefenen van moeilijke verbindingen. In groep 5 worden de hoofdletters geleerd. Vanaf groep 6 krijgt het eigen handschrift steeds meer vorm. Er is dan aandacht voor het temposchrijven, de drukletters en creatief schrijven.

Bij het schrijfonderwijs maken we gebruik van de materialen van Novoskript.

De flexibiliteit van de methode maakt het de leerkracht ruimschoots mogelijk de leerstof aan te passen aan de individuele schrijfontwikkeling van kinderen. Kinderen worden gemotiveerd om prestaties te leveren die aansluiten bij wat ze al kunnen. Het materiaal nodigt bovendien uit om op gestructureerde wijze zelfstandig te werken. Bovendien is er aandacht voor het reflecteren op eigen schrijfwerk en biedt het mogelijkheden om de schrijfproducten te verzamelen in een portfolio.

 

 

3.6.    Rekenen

 

Wij werken met de methode Wis en Reken, een methode voor realistisch reken-onderwijs.

Het reken- en wiskundeonderwijs ontleent zijn zin aan de herkenbaarheid en toepasbaarheid in het dagelijks leven.

Daarom willen we dat kinderen vanuit allerlei situaties, zoals die zich in het dagelijks leven voordoen, begrippen en vaardigheden eigen kunnen maken en praktische problemen leren oplossen. Schattend en inzichtelijk rekenen zijn belangrijke elementen. De manier waarop de kinderen in het realistische rekenonderwijs tot een oplossing komen, mag verschillen. Er is veel aandacht voor de verschillende aanpakken en oplossingen van de kinderen. Binnen de rekenles staat de interactie ofwel de wisselwerking tussen leerkracht en kinderen en tussen kinderen onderling centraal. Een situatie of probleem wordt gezamenlijk besproken en doordacht. Mogelijke aanpakken worden uitgewisseld, verduidelijkt en afgewogen tegen elkaar. Om aanpakken en oplossingen zichtbaar te maken en te komen tot handige oplossingen maken we gebruik van diverse modellen ofwel voorstellingen:

-          in het getalgebied t/m 10 vormen de vingers van beide handen een belangrijk hulpmiddel. Hierin zit de vijfstructuur, die gebruikt wordt bij het optellen en aftrekken;

-          in het getalgebied t/m 20 gebruiken we het rekenrek met de vijf- en tienstructuur als hulpmiddel bij het optellen en aftrekken;

-          in het getalgebied t/m 100 nemen zowel de lege getallenlijn met de getalsnoeren als het goudbord een belangrijke plaats in als steun bij het leren rijgen en splitsen. In groep 4 wordt het getalgebied t/m 100 extra ondersteund met het programma Met sprongen vooruit. Kinderen springen getallen op een denkbeeldige lijn en ervaren zo aan de lijve de waarde van de getallen.

De leerstof is opgedeeld in kleine stapjes. De vorderingen worden regelmatig getoetst. Door zelfstandig werken maken de kinderen zich de leerstof verder eigen. De leerkracht heeft dan tijd voor extra instructie aan bepaalde leerlingen.

De varia- en allerleiboeken geven extra stof voor kinderen die meer aan kunnen dan de basisstof.

 

 

3.7.    Wereldoriëntatie

 

Bij de wereldoriënterende vakgebieden gaat het behalve om feitenkennis ook om het aanleren van een juiste houding ten opzichte van de natuur, volkeren in andere landen en onze voorouders. Dit gebeurt in aparte vakken aan de hand van een boek en door middel van klassengesprekken, excursies, computerprogramma’s, spreek-beurten, schooltelevisie, werkstukjes enzovoort.

In de groepen 1 t/m 3 wordt er vooral op thematische wijze aandacht besteed aan wereldoriëntatie. Vanaf groep 4 is de wereldoriëntatie onderverdeeld in vier afzonderlijke vakgebieden: geschiedenis, aardrijkskunde, natuuronderwijs en verkeer.

Kinderen in de bovenbouw moeten ook zelfstandig of in een groep onderzoek kunnen doen bijv. in de directe omgeving van de school en in de mediatheek.

 

3.7.1.   Geschiedenis

Wij vinden het belangrijk dat kinderen zich kunnen inleven in situaties van het verleden en het heden. Dat ze belangstelling krijgen voor historische gebeurtenissen en deze betekenis kunnen geven. Tevens moeten zij deze gebeurtenissen in een tijdlijn kunnen plaatsen. Kinderen moeten weten dat de samenleving steeds verandert en dat ze een positieve bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van de samenleving.

De methode Wijzer door de tijd begint in groep 5. In dit leerjaar worden de kinderen verhalenderwijs geconfronteerd met het verleden. Na groep 5 werkt de methode vanuit het verleden naar het heden toe: dit gebeurt in chronologische volgorde.

Naast de verhalen en het werkboek wordt veel gebruik gemaakt van de mediatheek in verband met het maken van werkstukken.

Excursies, videobeelden, tentoonstellingen, projectonderwijs en gastsprekers vormen een boeiend onderdeel van het lesprogramma.

 

3.7.2.  Aardrijkskunde

We vinden het van belang dat kinderen hun ruimtelijke  bewustzijn ontwikkelen, te beginnen bij hun directe omgeving. Kinderen moeten zicht krijgen op de relatie mens en de ruimte om hem heen.

Met de methode Hier en Daar starten we in groep 5. Deze methode is concentrisch geordend; d.w.z. er zijn tien thema’s die elk schooljaar gedurende dezelfde periode vanaf groep 5 in elke groep terugkeren. De thema’s zijn zoveel mogelijk gekoppeld aan de eigen omgeving (gr. 5), Nederland (6), Europa (7) en de wereld (8).

Topografie neemt in Hier en Daar een zeer belangrijke plaats in. Kinderen bouwen in drie stappen een kaartbeeld op:

1.            namen zoeken van steden en rivieren enz. in het kaartenmapje;

2.            oefenen met een blinde kaart;

3.            kaartbeeld toepassen bij inzichtelijke opdrachten.

We maken een onderscheid tussen cursorische en functionele topografie. De functionele topografie: het zelfstandig verwerken van topografische kennis. Cursorisch: systematische aanbieding van leerstof, gekoppeld aan landen, regio’s e.d. Kinderen leren binnen dit vakgebied gebruiken van kaarten, interpreteren van symbolen, herkennen van verschillende soorten kaarten, het herkennen van patronen op thematische kaarten.

De “mens” neemt ook een belangrijke plaats in in het vakgebied aardrijkskunde. Mensen leven onder verschillende natuurlijke en maatschappelijke omstandigheden. De kinderen ontdekken hoe mensen leven en waarom mensen daar leven. O.a. door excursies, videobeelden, tentoonstellingen, projectonderwijs, werkstukken.

 

3.7.3.  Natuuronderwijs

Bij natuuronderwijs is het van belang dat kinderen de natuur om zich heen leren ontdekken en dat inzicht verkregen wordt in de relatie mens – natuur.

De methode Wijzer door de Natuur waarmee in groep 5 wordt begonnen, zet aan tot het zoveel mogelijk werken met echte planten, dieren, dingen, materialen en verschijnselen. Ontdekkende en onderzoekende activiteiten dienen daarbij als basis voor kennis, verwondering, een onderzoekende houding en het besef van zorg en verantwoordelijkheid voor jezelf, de medemens en de omgeving. Leerkrachten en leerlingen hebben de mogelijkheid om aanvullingen te zoeken uit de eigen omgeving of de actualiteit. Hierbij wordt ingespeeld op de belangstellingswereld van de kinderen. Excursies en veldonderzoek maken vooral in dit vakgebied een wezenlijk onderdeel uit van het lesprogramma.

Binnen het natuuronderwijs worden aspecten van biologie, natuurkunde en het bevorderen van gezond gedrag in samenhang aangeboden.

Naast de methode Wijzer door de Natuur wordt er als bronnenboek en voor extra materiaal gebruik gemaakt van de methode Natuur Buiten – Gewoon.

 

 

3.7.4.   Sociale redzaamheid/verkeersgedrag

 

Met het verkeersonderwijs willen we kennis en vaardigheden bijbrengen en sociaal gedrag aanleren.

Samen moeten deze punten leiden tot een veilige verkeershouding bij kinderen.

Kortom we willen kinderen:

-          regels leren en die leren toepassen;

-          veilig om leren gaan met hun fiets;

-          leren handelen in het belang van de veiligheid van de ander en zichzelf.

Om deze punten te kunnen realiseren wordt er uitgegaan van situaties, die aansluiten bij de belevingswereld van de kinderen.

In groep 1/2 starten we met de methode Verkeersveilig. Vanaf groep 3 werken we met de methode Klaar over!

In oktober 2002 heeft Het Palet het Brabants Verkeersveiligheidslabel (BVL-label) verkregen. Wij proberen het verkeersonderwijs zodanig in te richten, dat er niet alleen theorie, maar ook integratie met de praktijk gerealiseerd wordt. Daarvoor worden elk schooljaar in alle groepen diverse activiteiten gepland, zoals: behendigheidsproef, trapvaardig-heid, fietscontrole, project de dode hoek, verkenning school-thuisroute voortgezet onderwijs, oversteekdiploma.

Om het draagvlak te vergroten hebben we de medewerking van alle ouders nodig. Enkele verkeersouders maken deel uit van de werkgroep.

In groep 7 wordt het verkeersexamen afgenomen. Dit examen omvat een theoretisch en een praktisch gedeelte. De organisatie ervan berust bij Veilig Verkeer Nederland. De kinderen kunnen een diploma behalen waarop vermeld staat voor welk gedeelte men is geslaagd.

Voor groep 8 wordt elk jaar een verkeersveiligheidsdag georganiseerd door de afdeling Veilig Verkeer Nederland van de gemeente Bladel.

 

 

3.8.     Levensbeschouwing

 

Naast de invulling van de ‘brede’ identiteit, gekleurd vanuit de grondslag (hoofdstuk 2.4.), schenken wij ook aandacht aan de ‘smalle’ identiteit, die op school vorm krijgt door het vak levensbeschouwing.

De schoolpopulatie en het personeelsbestand is in de loop der jaren veranderd van overwegend katholiek naar divers. Het vak catechese is vervangen door het vak levensbeschouwing waarin nadrukkelijk breder wordt gekeken naar de verscheidenheid in levensovertuigingen.

Wij maken als school deel uit van een multiculturele samenleving. Het aantal andersdenkenden en niet-gelovigen neemt toe, en ook voor deze kinderen staan onze deuren open. Kennis nemen van elkaars levensovertuiging draagt bij tot wederzijds respect en dat is broodnodig binnen onze steeds harder wordende, multiculturele samenleving. Daarom wil de school haar leerlingen kennis laten maken met andere culturen en godsdiensten. Met het vak levensbeschouwing spelen we als school ook in op een fundamentele behoefte van mensen om antwoord te zoeken op zinvragen, vragen die mensen zich stellen wanneer zij geconfronteerd worden met situaties en ervaringen, die raken aan de grenzen van het bestaan. Bedoeld worden b.v. ziekte, overlijden, oorlog, rampen, maar ook gelukservaringen zoals een geboorte en het je verwonderen over de prachtige natuur.

We willen kinderen gevoelig maken voor deze religieuze dimensie van het bestaan.

Deze levensvragen, die kinderen zich dus ook stellen, vormen de ingang van het vak levensbeschouwing.

Het vak levensbeschouwing krijgt op Het Palet vorm met behulp van projecten rondom een waarde.  Hierbij dagen we de leerlingen uit na te denken over morele kwesties die passen bij hun leeftijd. Daarnaast zijn er speciale projecten rondom Kerstmis en Pasen. Onze school vindt het, gezien haar bijzondere levensbeschouwing,  belangrijk met de leerlingen de grote christelijke feesten te vieren. Want deze feesten brengen belangrijke levenservaringen ter sprake: delen, dood en leven, geboorte, vreugde en verdriet, arm en rijk.

Naast deze lessen besteden we o.a. extra aandacht aan het vertellen van bijbelverhalen, contacten met de parochie en hebben we jaarlijks een actie voor een goed doel.

Met de plaatselijke parochie hebben we een goede samenwerking met respect voor ieders eigenheid en eigen verantwoordelijkheid. Dat blijkt uit het feit dat er een gezamenlijk overleg is tussen school en parochie, dat een lid van de schoolraad belast is met een bijzondere verantwoordelijkheid voor identiteit en levensbeschouwelijk onderwijs en dat er voor elk leerjaar contactmomenten met de parochie zijn. Het inleiden van de kinderen in de kerk (voorbereiding eerste communie en vormsel) is een taak van de parochie en ouders. De school stelt zich loyaal op als het gaat om ondersteuning van activiteiten, georganiseerd door de parochie, zoals het beschikbaar stellen van schoolgebouw en leermiddelen.

 

 

3.9.    Goede doel

 

Jaarlijks kiezen we voor een ‘goede doel’-project, waar we met de hele school aan werken. We streven hierbij naar projecten die direct aansluiten bij de belevingswereld van onze kinderen. We trachten mensen te vinden die op school over hun project kunnen vertellen en dingen kunnen laten zien en waarbij ook een terugkoppeling kan plaatsvinden wat er met de opbrengst wordt gedaan. Hierbij vinden we de pedagogische en vormende waarde belangrijker dan de hoogte van de geldelijke opbrengst.

 

 

3.10.   Buiten de schoolmuren

 

Leren doen we niet alleen in de klas, maar ook daarbuiten. Van tijd tot tijd heeft iedere groep een excursie of een speciaal project. Het afgelopen schooljaar waren er onder andere de projecten Jong – oud en Bizz-world, Rode Draad, Kinderboekenweek, Ridders en kastelen.

Excursies vinden vaak plaats in het kader van een onderwerp uit de wereld-verkennende vakken.

Zo gaan we dit schooljaar onder meer naar de dierenarts, de bakker, de drukkerij, bos en heide, de boerderij, de Heemkamer, het Historisch Openluchtmuseum Eindhoven, het Milieu Educatie Centrum Eindhoven en diverse bedrijven.

 

 

3.11.   Techniek

 

In het leerstofaanbod is structureel ruimte ingeroosterd voor het vak techniek. De lessen worden gecoördineerd door  een speciaal daarvoor opgezette commissie techniek.

Er is een plan van aanpak opgesteld, waarbij ook gebruik gemaakt is van diverse instanties. Hierbij valt te denken aan VTB, SBD, het bedrijfsleven, Technific enz.

De commissieleden hebben deelgenomen aan een cursustraject via het VTB, waardoor ze geschoold zijn in o.a. het opstellen van een werkplan, het opstellen van een tijdspad, het bestuderen van diverse methodes, het komen tot de aanschaf van een methode.

Middels een regelmatig uitgebrachte brochure (4x per jaar) woerden de leerkrachten op de hoogte gebracht van de stand van zaken.

Aan het einde van het schooljaar 2006-2007 heeft dit geresulteerd in de aanschaf van de methode Techniek Torens.

Voorwaarden om te komen tot een structurele vorm van techniekonderwijs binnen onze school is dat personen binnen ons team hiervoor verantwoordelijk worden gesteld om de invoering te doen slagen.

De afgelopen jaren zijn zowel de leerkrachten als leerlingen geprikkeld om feeling te krijgen met techniek.

Hiervoor hebben we de afgelopen jaren het volgende gedaan:

  • Samenwerking met Technific (Project Efteling, techniekwedstrijden ‘De Karavaan’ en ‘De Uitvinders’.
  • Uitproberen van de leskisten “Jeugd en Beroep”.
  • Bezoek aan diverse bedrijven: Saris, Wagenbouw Hapert, Roossen Eersel en Arendonk, VDL Hapert.
  • Bezoek aan diverse tentoonstellingen.(Textielmuseum Tilburg).
  • Excursies naar Nemo Amsterdam.
  • Project ‘Techniek in de klas’.

Dit alles heeft uiteindelijk geresulteerd in het invoeren van het vak techniek op onze school. Zowel klassikaal, zelfstandig, als d.m.v. groepswerk wordt techniek nu gegeven in alle groepen op onze school. Daarbij wordt gebruik gemaakt van:

 

  • De methode Techniek Torens
  • Zelf ontworpen leskisten
  • Lego techniek
  • Knex’ techniek
  • Gastlessen door senioren met technische achtergrond
  • Excursies naar bedrijven in de regio
  • Bezoek aan Nemo Amsterdam
  • Techniekthemadagen in alle groepen (groepsdoorbrekend).

 

 

3.12.   Cultuureducatie

 

Het Palet verstaat onder cultuureducatie dat alle leerlingen van groep 1 t/m 8 in aanraking komen met verschillende cultuurdisciplines zoals bijvoorbeeld film, fotografie, theater, muziek en dans, literatuur, erfgoededucatie. Wij onderschrijven het belang van een culturele en creatieve ontwikkeling en de eigen inbreng van kinderen. Cultuureducatie biedt leerlingen een rijker leerklimaat en vormt daarmee een waardevol onderdeel van het leerprogramma. We zien de culturele vorming in samenhang met alle onderwijsgebieden, ook bij projecten, werken in ateliers en andere activiteiten binnen ons onderwijs. Voor cultuureducatie hebben we een plan van aanpak geformuleerd, waarbij elk jaar een andere cultuurdiscipline extra accent krijgt. Ontdekken van cultuur betekent ook de wereld in gaan, b.v. door kunst in de openbare ruimte te ervaren, bezoeken van tentoonstellingen en voorstellingen, in contact te komen met schrijvers en kunstenaars. Uiteraard halen we ook kunst en kunstenaars de school binnen.

Binnen cultuureducatie ligt ons accent op beleving en ervaring, waarbij leerlingen bewust op onderzoek uitgaan en hun eigen talenten mogen ontdekken. Bij alles wat we aanbieden, stimuleren we kinderen tot het zelf zoeken van oplossingen, zelf proberen, het zelf iets scheppen. Doe je dit niet, dan blijft het bij navolging en nabootsing of simpel toepassen. Eigen ervaring en beleving geven betekenis aan de activiteiten. Vooruitdenken, denken tijdens verwerking en reflectie op een activiteit, ontwikkelen en stimuleren het doelgericht te werk gaan. Zo ontwikkelen kinderen zich naar een steeds hoger niveau.

Op Het Palet hebben we sinds 2009 drie cultuurcoördinatoren. Zij hebben de taak kunst- en cultuureducatie een stevige plek in het onderwijs op school te geven. Daarbij moet gedacht worden aan het ontwikkelen van een eigen visie op cultuureducatie, het maken van een cultuurplan, het overleg hierover met het schoolteam en het onderhouden van contact met de culturele instellingen in de omgeving. Om het contact tussen school en de culturele omgeving te versterken hebben de cultuurcoördinatoren regelmatig overleg met de coördinator van de marktplaats cultuur van de Gemeente Bladel en cultuurcoördinatoren van andere scholen.

 

 

3.13    Tekenen /          handvaardigheid

 

Tijdens de lessen handvaardigheid en tekenen krijgen de kinderen volop de gelegenheid om hun eigen ideeën en creativiteit vorm te geven. Werkstukken kunnen heel divers van karakter zijn. Soms wordt iets gemaakt uit de werkelijkheid, soms is het puur fantasie. Het kan ook zijn dat we experimenteren met mogelijkheden waaruit iets functioneels te voorschijn komt. Naast het stimuleren van de eigen creativiteit leren we de kinderen de diverse eigenschappen en mogelijkheden van materialen en een juist gebruik van gereedschappen.

In groep 7 en 8 wordt les gegeven door een vakleerkracht tekenen / handvaardigheid.

We gebruiken de methode Moet je doen! en ter aanvulling: Tekenvaardig, Handvaardig en Textielvaardig.

 

 

3.14   Muzikale en dansante vorming

 

Bij muziek en dansante vorming gaat het om:

-          plezier in het zingen en het maken van muziek;

-          het omgaan met muziek als uitdrukkingsmiddel;

-          het inzicht krijgen in de functies van muziek;

-          de bewegingsmogelijkheden van je lichaam bewust omzetten in dans;

-          de betekenis van dans kunnen interpreteren en waarderen.

In groep 4 en 5 geeft een vakleerkracht muziekles. Uitgaande van de kerndoelen geeft de vakleerkracht muziekonderwijs dat vergelijkbaar is met het VIO-onderwijs (Voorbereidend Instrumentaal Onderwijs) van de Muziekschool. In groep 5 krijgen de kinderen de mogelijkheid om blokfluitles te volgen. Op deze manier kunnen ze praktische vaardigheid opdoen in het bespelen van een instrument. De lessen zijn gratis met uitzondering van het te gebruiken materiaal (blokfluit en lesboek). We hebben dit schooljaar vier groepen van tien à twaalf kinderen.

Hiernaast gebruiken we in alle groepen de methode Moet je doen!

Ook beschikt de school over een vakleerkracht voor dans. In diverse groepen worden door haar dansprojecten begeleid.

 

 

3.15.  Drama

 

We willen de kinderen bij het ‘doen alsof’-spel leren gebruik te maken van stem, taal, houding, beweging en mimiek. De nadruk ligt op het improviserend spelen, iets voordragen, met verhaalelementen iets uitbeelden. Vanuit de verbeelding proberen we de kinderen gevoelens en ervaringen te laten omzetten in toneelspel, waarbij ook relaties worden gelegd naar de dagelijkse werkelijkheid. Dramatiseren is een onderdeel van ons taalonderwijs.

 

 

3.16.   Bewegingsonderwijs

 

In de groepen 1/2 zijn spel- en bewegingsvormen elke dag in het programma opgenomen. Er wordt gespeeld op de speelplaats en in de speelzaal op school. Vanaf groep 3 krijgen de kinderen twee keer per week gymles in de sporthal, die vast aan onze school verbonden is. De lessen in de groepen 3 t/m 8 worden gegeven door of onder supervisie van vakleerkrachten. Hierbij worden ook zgn. Lobossers ingezet.

In alle groepen wordt aandacht besteed aan samenspelactiviteiten, technische oefen-vormen en sportief en verantwoordelijk gedrag. Leren samenspelen en leren dat sportiviteit belangrijker is dan winnen, zijn wezenlijke aspecten van de gymles.

We vinden het wezenlijk dat kinderen kennismaken met een zo breed mogelijk aanbod van sporten en bewegingsactiviteiten. In deze sportoriëntering komen de leerlingen in aanraking met activiteiten als duiken, fietsen, skeeleren, tennis. Hierdoor kunnen leerlingen ervaren welke sporten er in hun omgeving beoefend kunnen worden en kunnen zij ook veel bewuster een keuze maken uit het verenigingsaanbod. Er is jaarlijks een sport- en speldag voor alle groepen. De school stimuleert de deelname aan sporttoernooien (o.a. voetbal, handbal, korfbal, zwemmen, schaken) die in de regio worden georganiseerd.

Groep 1/2: Voor het spelen in de speelzaal willen we u vragen om uw kind gymschoenen mee te geven. Zonder veters en voorzien van naam. De gymschoenen blijven op school. Gymkleding is voor de kleuters niet nodig. Op maandag, woensdag en donderdag staat er groot klim- en klautermateriaal klaar in de speelzaal. Er is dan vrij spel. Op dinsdag werken we met het bronnenboek Bewegingsonderwijs in het speellokaal. Er komen dan specifieke bewegingsvormen in geleid spel aan bod.

Groep 3 t/m 8: Kinderen uit deze groepen dienen een gymbroek, shirt of gympakje en gymschoenen (zonder zwarte zolen) mee te nemen op de dag dat ze gym hebben. Wilt u ervoor zorgen dat de gymschoenen die ze in de gymles aandoen, niet overdag gebruikt worden tijdens het spelen. Noteer naam in gymschoenen en kleding.

In de zomermaanden wordt er ook buiten gesport op het veld nabij het voormalige gemeentehuis.

Voor de veiligheid van uw kind tijdens de gymlessen vragen we om sieraden als kettinkjes, ringen en armbanden thuis af te doen. We krijgen ze soms moeilijk af en de sieraden kunnen verloren raken.

178147 bezoekers Sitemap | Vernieuwd | Zoeken Inloggen