Hoofdstuk 3: DE ONDERWIJSKUNDIGE VORMGEVING VAN HET ONDERWIJS
3.3. De ordening van de inhoud van het onderwijs
a. De instrumenteel-cursorische vakken
Rekenen/Wiskunde
Wij werken met de methode Wis en Reken, een methode voor realistisch rekenonderwijs. Het reken- en wiskundeonderwijs ontleent zijn zin aan de herkenbaarheid en toepasbaarheid in het dagelijks leven. Daarom willen we dat kinderen zich vanuit allerlei situaties, zoals die zich in het dagelijks leven voordoen, begrippen en vaardigheden eigen kunnen maken en praktische problemen leren oplossen. Het schattend en inzichtelijk rekenen is in de loop van de tijd in de plaats gekomen van het mechanistische rekenen. Bij het mechanistische rekenen stond het inoefenen van de formule, het toepassen van handige trucs en het heel veel sommen maken voorop. De manier waarop de kinderen in het realistische rekenonderwijs tot een oplossing komen, mag verschillen. Er is veel aandacht voor verschillende aanpakken en oplossingen van de kinderen. Binnen de rekenles staat de interactie ofwel de wisselwerking tussen leerkracht en kinderen en tussen kinderen onderling centraal. Een situatie of probleem wordt gezamenlijk besproken en doordacht. Mogelijke aanpakken worden uitgewisseld, verduidelijkt en afgewogen tegen elkaar.
Om aanpakken en oplossingen zichtbaar te maken en te komen tot handige oplossingen maken we gebruik van diverse modellen ofwel voorstellingen:
· in het getalgebied t/m 10 vormen de vingers van beide handen een belangrijk hulpmiddel. Hierin zit de vijfstructuur, die gebruikt wordt bij het optellen en aftrekken;
· in het getalgebied t/m 20 gebruiken we het rekenrek met de vijf- en tienstructuur als hulpmiddel bij het optellen en aftrekken;
· in het getalgebied t/m 100 nemen zowel de lege getallenlijn met de getalsnoeren als het goudbord een belangrijke plaats in als steun bij het leren rijgen en splitsen. In groep 4 wordt het getalgebied t/m 100 extra ondersteund met het programma Met sprongen vooruit. Kinderen springen getallen op een denkbeeldige lijn en ervaren zo aan de lijve de waarde van de getallen.
De leerstof is opgedeeld in kleine stapjes. De vorderingen worden regelmatig getoetst. Door zelfstandig werken maken de kinderen zich de leerstof verder eigen. De leerkracht heeft dan tijd voor extra instructie aan bepaalde leerlingen.
De varia- en allerleiboeken geven extra stof voor kinderen die meer aan kunnen dan de basisstof.
Nederlandse taal en lezen
Taal bestaat uit spreken, luisteren, lezen en stellen. De taalontwikkeling begint al in de wieg en duurt een heel leven.
Taal heb je nodig om te communiceren, om te kunnen denken, om de wereld om je heen te kunnen ordenen en om er je creativiteit in kwijt te kunnen.
Omdat taal in ons hele leven zo'n belangrijke plaats inneemt, besteden we er veel tijd aan op school.
We maken gebruik van de methode Taalleesland .
Deze uitgebreide methode biedt een duidelijke structuur in leerstof op het gebied van stellen, taalbeschouwing, begrijpend lezen, leesbeleving, creatief taalgebruik? luisteren/spreken, woordenschat. Er is aangepaste oefenstof voor kinderen die achterblijven in hun taalontwikkeling en voor kinderen die meer aankunnen. De methode kent een aparte leergang voor spelling. Omdat Taalleesland een uitgebreide methode is, maken we een weloverwogen selectie uit het aanbod.
Voor het leren lezen werken we met de methode De Leeslijn, een methode voor kindgericht leesonderwijs. In groep 1/2 wordt kennis gemaakt met geschreven taal d.m.v. voorlezen en het spelen met letters. Een kind dat verder wil met het ontsleutelen van letters en woorden krijgt hiervoor ruimte en kan ervaringen opdoen met geschreven taal. Het kind wordt gestimuleerd om ontdekkend te leren lezen. Voor kinderen die in groep 2 nog niet geďnteresseerd zijn in letters en lezen start het leren lezen in groep 3.
Leeslijn kent vanaf groep 3 twee leerwegen. Kinderen die weinig instructie nodig hebben, gaan grotendeels zelfstandig verder. De andere kinderen krijgen het leesonderwijs stapje voor stapje aangeboden binnen de instructiegroep, waarna ze het aangeboden leesaspect zelfstandig verwerken. Vanaf groep 3 worden de kinderen getoetst op hun leesvaardigheid. In groep 6 hebben bijna alle kinderen het eindniveau (niveau 9) bereikt. Wie niet voldoende vordert, krijgt extra instructie.
Naast het zich eigen maken van alle leesaspecten middels zelfstandig lezen, zijn vrijlezen en lezen in groepjes of duolezen wezenlijke onderdelen van het leren lezen, waarin leesplezier een belangrijk element is. Lezen in een op het kind afgestemd leesniveau vergroot eveneens het leesplezier.
Het op een voldoende niveau technisch kunnen lezen is een voorwaarde om tot goed tekstbegrip te komen. Wij beschouwen 'begrijpend lezen' als een van de kernvakken van de basisschool. Begrijpend lezen is een voorwaarde om te kunnen studeren.
Het documentatiecentrum beschikt over ruim 6.000 titels waaronder een uitgebreide serie prentenboeken, informatieve boeken, Engelse boeken, de betere jeugdboeken - behalve op A-, B, C-niveau ook op leerjaarniveau ingedeeld - en speciale boekenseries voor kinderen met leesproblemen. Daarnaast zijn er tijdschriften, knipsels en ander materiaal.
Dit alles wordt op school gebruikt voor het maken van werkstukken, boekbesprekingen, spreekbeurten, voorlezen, vrijlezen en boekpromotie. Kijk ook op onze website onder D.C..
Engelse taal
In de bovenbouw krijgen de kinderen Engels. De nadruk ligt op het verstaan en het zelf spreken. We werken met thema's zoals de familie, de school, in en om het huis, sport en kleding. Ook lezen en schrijven zitten al in het programma. Bij het luisteren en zelf spreken gebruiken we cd’s, zodat de uitspraak op de juiste manier wordt aangeleerd. We maken gebruik van de methode Real English– Let’s do it.
Doelstelling: het onderwijs in de Engelse taal is erop gericht, dat de leerlingen:
- vaardigheden ontwikkelen waarmee ze deze taal op een zeer eenvoudig niveau kunnen gebruiken als communicatiemiddel;
- kennis hebben van de rol die de Engelse taal speelt in de Nederlandse samenleving en als internationaal communicatiemiddel.
Schrijven
Om goed te kunnen schrijven moeten kinderen geoefend zijn in het coördineren van grote en kleine bewegingen. Gecoördineerde schrijfbewegingen bevorderen namelijk een vloeiend en leesbaar handschrift. Hiervoor hebben kinderen veelzijdige bewegings-ervaringen nodig met het totale lichaam, de rechter lichaamshelft, de linker lichaamshelft of bijvoorbeeld met twee handen. Hierdoor ontstaat een natuurlijke groei naar bewustwording van links-en rechtshandigheid en het ontwikkelen van de voorkeurshand. Als dat bereikt is, kunnen we een kind ‘schrijfrijp’ noemen. Deze ontwikkeling verloopt bij ieder kind in een eigen tempo. Een kind kan pas starten met het schrijven van letters en cijfers als het ‘schrijfrijp’ is.
In groep 1 en 2 bevorderen we de grote en kleine motoriek door te werken aan:
- evenwicht
- tweezijdig werken op bord en papier
- tweehandig ruimtelijk werk
- lichaamsoriëntatie
- ritmische lijnen op muziek
- spiegelen en draaien
In groep 3 starten we met het aanleren van het schrijven van letters en cijfers. Kinderen leren hierbij drie steunpunten: begin-, rust- en eindpunt. Elke letter start bij groen, verandert van richting bij oranje en stopt bij rood. We noemen ze daarom ‘stoplichtletters’.
Na het beheersen van de letters worden de verbindingen aangeboden, zodat de kinderen eind groep 3 het verbonden schrift beheersen. In groep 4 wordt doorgegaan met het oefenen van moeilijke verbindingen en worden de hoofdletters geleerd.
Vanaf groep 5 krijgt het eigen handschrift steeds meer vorm. Er is dan aandacht voor het temposchrijven, de drukletters en creatief schrijven.
Bij het schrijfonderwijs maken we in de groepen 3 t/m 5 gebruik van de materialen van Novoskript. De flexibiliteit van de methode maakt het de leerkracht ruimschoots mogelijk de leerstof aan te passen aan de individuele schrijfontwikkeling van kinderen. Kinderen worden gemotiveerd om prestaties te leveren die aansluiten bij wat ze al kunnen.
Het materiaal nodigt bovendien uit om op gestructureerde wijze zelfstandig te werken.
De methode Schrijftaal gebruiken we in groep 6 tot en met groep 8. In de bovenbouw willen we tevens het creatieve aspect van het schrift belichten, zoals bijvoorbeeld het gebruik van sierschrift, het ontwerpen van pictogrammen, lay out enz.
In de leerlijn ICT zullen wij aangeven over welke typevaardigheid kinderen moeten beschikken en in welke leerjaren we daar gericht onderwijs in gaan geven.
b. Catechese en levensbeschouwelijk onderwijs
De brede identiteit
Wij zijn een katholieke school en proberen in ons hele onderwijs daar invulling aan te geven.
De levensbeschouwelijke identiteit staat niet los van de brede identiteit van de school. Sterker nog de levensbeschouwelijke identiteit van de school kleurt het totale bezig zijn van de school in.
De mens- en levensvisie die aan ons katholiek onderwijs ten grondslag liggen zijn gebaseerd op het evangelie en de katholieke traditie.
Naar onze overtuiging heeft de katholieke school ook in de komende tijd, een tijd van materialisme en individualisering, duidelijk bestaansrecht! Het lijkt er soms op, dat er in de maatschappij steeds minder rekening gehouden wordt met waarden en algemeen gangbare normen. Daarom is het juist van belang de kinderen -de maatschappij van de toekomst- een aantal vaste waarden en normen voor te houden. Waarheid, eerlijkheid, vrede, vrijheid, soberheid, eenvoud, dienstbaarheid, vergeving, liefde, respect, solidariteit en geloof in en hoop op de toekomst, op een betere wereld, zijn waarden en uitgangspunten van alle tijden. Ook stellingname tegenover agressie en geweld moet naar kinderen toe heel helder zijn. Dit alles dient geplaatst in katholiekchristelijk perspectief. Op deze wijze willen wij als school, op hedendaagse wijze, werken aan de kwaliteit van leven.
Dit komt naar voren in de navolgende doelen:
- We willen een open school zijn, die werkend vanuit de katholieke grondslag, kinderen voor wil bereiden op deelname aan de maatschappij.
- We willen daarbij een “open” katholieke school zijn, die openstaat voor ouders en kinderen met een andere geloofsovertuiging
- We hechten veel belang aan het overdragen van normen en waarden.
- We willen kinderen begeleiden en stimuleren in hun groei naar zelfstandigheid.
- We willen kinderen zich laten ontwikkelen in een goed pedagogisch klimaat.
- We houden in ons onderwijs rekening met elke individuele leerling. Kinderen vertonen verschillen: we vinden het onze opdracht daar zo goed mogelijk mee om te gaan.
- Elk kind willen we als individu benaderen en als persoonlijkheid accepteren.
- We willen een school zijn die het morgen beter doet dan vandaag. Daarbij past een voortdurende reflectie op ons handelen en het voortdurend in ontwikkeling zijn. Kortom: we willen kwaliteit leveren.
Daardoor doet Het Palet geen andere dingen dan een niet-katholieke school, want het gaat meestal om algemeen menselijke waarden zoals waarheid, goedheid, rechtvaardigheid, vrede, vrijheid, solidariteit e.d. Deze waarden krijgen echter in Christelijk perspectief een extra dimensie.
Toegespitst gaat het erom dat kinderen
- hun verstandelijke capaciteiten zo goed mogelijk ontwikkelen;
- verantwoordelijkheid dragen voor eigen doen en laten čn voor hun leefwereld;
- rekening houden met elkaar;
- elkaar serieus nemen, zorg dragen voor elkaar;
- oog krijgen voor de ‘zwakken’ in de eigen groep en verder weg;
- gevoelig worden voor de religieuze dimensie van het bestaan, m.a.w. met verwondering in het leven staan.
Toegespitst naar leerkrachten betekent dit dat zij o.a.:
- positieve verwachtingen hebben van hun onderwijs en van de mogelijkheden van hun leerlingen
- met liefde voor het vak en voor de kinderen proberen op een kindvriendelijke manier ‘eruit te halen, wat erin zit’; elk kind wordt op zijn eigen plaats in zijn eigen waarde gelaten
- zich gezamenlijk verantwoordelijk voelen voor alles wat er op school gebeurt; er ‘teamwork’ van maken.
De smalle identiteit
Naast de invulling van de ‘brede’ identiteit, gekleurd vanuit de grondslag, schenken wij ook aandacht aan de ‘smalle’ identiteit, die op school vorm krijgt door het vak catechese (levenbeschouwing), waarbij we gebruik maken van de methode Hellig Hart. Een voortschrijdende pluriformisering en secularisering van de samenleving zet het vak catechese echter onder druk. Aangezien scholen een afspiegeling zijn van de samenleving wekt het geen verbazing dat de homogene schoolpopulatie van voorheen heeft moeten plaatsmaken voor een heterogene samenstelling van leerlingen en personeel.
De methode Hellig Hart speelt in op een fundamentele behoefte van mensen om antwoord te zoeken op zin-, ethische en esthetische vragen, vragen die mensen zich stellen wanneer zij geconfronteerd worden met situaties en ervaringen, die niet gewoon en vanzelfsprekend zijn, maar raken aan de grenzen van het bestaan.
Bedoeld worden bijv. het lijden en overlijden van een naaste, beelden van oorlog, een verbroken relatie, maar ook gelukservaringen zoals het krijgen van een kind, het je verwonderen over de prachtige natuur. Deze ervaringen roepen niet alleen vragen op naar de belevingswaarde (ethische vragen), naar het waarom en het hoe van dit alles (religieuze- / zinvragen) maar ook vragen naar ‘wat behoor ik te doen in deze situatie en wat juist niet’(ethische vragen). We willen kinderen gevoelig maken voor deze religieuze dimensie van het bestaan Deze levensvragen, die kinderen zich dus ook stellen, vormen de ingang van het vak levenbeschouwing (catechese).
Naast deze lessen besteden we o.a. extra aandacht aan het vertellen van bijbelverhalen, vieren van Kerstmis en Pasen en hebben we jaarlijks een actie voor een goed doel.
Met de plaatselijke geloofsgemeenschap van de parochie hebben we een goede samenwerking met respect voor ieders eigenheid en eigen verantwoordelijkheid. Dat blijkt uit het feit dat er een gezamenlijk overleg is tussen school en parochie, dat een lid van de schoolraad belast is met een bijzondere verantwoordelijkheid voor identiteit en levensbeschouwelijk onderwijs en dat er voor elk leerjaar contactmomenten met de parochie zijn. Het inleiden van de kinderen in de kerk (voorbereiding eerste communie en vormsel) is een taak van de parochie en ouders. De school stelt zich loyaal op als het gaat om ondersteuning van activiteiten, georganiseerd door de parochie, zoals het beschikbaar stellen van ruimte en leermiddelen.
c. De wereldoriënterende vakken
In groep 1 t/m 3 wordt hoofdzakelijk thematisch gewerkt. Uitgangspunt daarbij zijn de eigen belevingswereld, de ervaring en de waarnemingen die bij voorkeur niet uitsluitend kijken betekenen maar ook voelen, tillen, ruiken, bewegen, aanraken, betasten, luisteren. De leerlingen leren stap voor stap de wereld om zich heen kennen. Zij doen dat door het veroveren van taal als communicatiemiddel en in het zoeken naar oorzaak en gevolg. Ze gaan relaties leggen met ruimte, tijd en natuur.
Aardrijkskunde
We vinden het van belang dat kinderen hun ruimtelijke bewustzijn ontwikkelen, te beginnen bij hun directe omgeving. Kinderen moeten zicht krijgen op de relatie mens en de ruimte om hem heen.
Met de methode Hier en Daar starten we in groep 5. Deze methode is concentrisch geordend; d.w.z. er zijn tien thema’s die elk schooljaar gedurende dezelfde periode vanaf groep 5 in elke groep terugkeren. De thema’s zijn zoveel mogelijk gekoppeld aan de eigen omgeving (gr 5), Nederland (6), Europa (7) en de wereld (gr 8).
Topografie neemt in Hier en Daar een belangrijke plaats in. Kinderen bouwen in drie stappen een kaartbeeld op.
1. leerlingen zoeken namen op van steden en rivieren enz in het kaartenmapje
2. oefenen met een blinde kaart
3. kaartbeeld toepassen bij inzichtelijke opdrachten
We maken een onderscheid tussen cursorische en functionele topografie. De functionele topografie: het zelfstandig verwerken van topografische kennis.
Cursorisch: systematische aanbieding van leerstof, gekoppeld aan landen, regio’s e.d.
Kinderen leren binnen dit vakgebied gebruiken van kaarten, interpreteren van symbolen, herkennen van verschillende soorten kaarten, het herkennen van patronen op thematische kaarten.
Binnen aardrijkskunde neemt de mens een belangrijke plaats in.
Mensen leven onder verschillende natuurlijke en maatschappelijke omstandigheden. De kinderen ontdekken hoe mensen leven en waarom mensen daar leven.
Om de leerlingen dit te laten ontdekken wordt gebruik gemaakt van: excursies, videobeelden, tentoonstellingen, projectonderwijs.
Doelstelling: het aardrijkskundeonderwijs is erop gericht, dat de leerlingen:
- zich een beeld vormen van de aarde en haar belangrijkste regio’s
- inzicht verwerven in de manier waarop de natuur en het menselijk handelen de ruimtelijke inrichting beďnvloeden;
- zich enige geografische kennis en vaardigheden eigen maken.
Geschiedenis
Wij vinden het belangrijk dat kinderen zich kunnen inleven in situaties van het verleden en het heden. Dat ze belangstelling krijgen voor historische gebeurtenissen en tevens deze gebeurtenissen in een tijdlijn kunnen plaatsen.
Kinderen moeten weten dat de samenleving steeds verandert en dat ze moeten leren leven binnen die veranderingen. Bovendien moeten zij zich ervan bewust zijn dat ze een positieve bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van de samenleving.
De methode Wijzer door de tijd begint in groep 5. In dit leerjaar worden de kinderen verhalenderwijs geconfronteerd met het verleden. Na groep 5 werkt de methode vanuit het verleden naar het heden toe: dit gebeurt in chronologische volgorde.
Naast de verhalen en het werkboek wordt veel gebruik gemaakt van de mediatheek in verband met het maken van werkstukken. Excursies, videobeelden, tentoonstellingen, projectonderwijs en gastsprekers vormen boeiende onderdelen van het lesprogramma.
Doelstelling: het geschiedenisonderwijs is erop gericht, dat de leerlingen:
- zich beelden vormen van in tijd geordende verschijnselen en ontwikkelingen;
- besef krijgen van continuďteit en verandering in het leven en in de geschiedenis van de samenleving;
- zich enige historische basisvaardigheden eigen maken;
- kennis en inzicht verwerven omtrent inrichting en structuur van de maatschappij;
- kennis en inzicht verwerven omtrent enige hoofdzaken van en kenmerkende verschillen tussen geestelijke stromingen in de samenleving.
Natuuronderwijs en gezond gedrag
Bij natuuronderwijs is het van belang dat kinderen de natuur om zich heen leren ontdekken en dat inzicht verkregen wordt in de relatie mens – natuur.
De methode Natuurlijk! waarmee in groep 5 wordt begonnen, zet aan tot het zoveel mogelijk werken met echte planten, dieren, dingen, materialen en verschijnselen. Ontdekkende en onderzoekende activiteiten dienen daarbij als basis voor kennis, verwondering, een onderzoekende houding en het besef van zorg en verantwoordelijkheid voor zichzelf, de medemens en de omgeving. De leerkracht heeft de mogelijkheid om aanvullingen te zoeken uit de eigen omgeving of de actualiteit. Hierbij wordt ingespeeld op de belangstellingswereld van de kinderen. Excursies en veldonderzoek maken vooral in dit vakgebied een wezenlijk onderdeel uit van het lesprogramma.
Binnen het natuuronderwijs worden aspecten van biologie, natuurkunde en het bevorderen van gezond gedrag in samenhang aangeboden.
De school is bezig met de oriëntatie op een nieuwe methode voor natuurkennis.
De werkgroep heeft vorig schooljaar in de groepen 6 en 7 experimenteel gewerkt met de methode Natuur Buiten – Gewoon. Omdat deze methode toch niet geheel voldeed aan de verwachtingen, wordt er verder gezocht.
We hopen in het schooljaar 2003 – 2004 hierin een beslissing te kunnen nemen.
Doelstelling: het natuuronderwijs is erop gericht, dat de leerlingen:
- plezier beleven aan het verkennen van de natuur vanuit een kritische en vragende houding en zorg hebben voor en gezond leefmilieu;
- kennis, inzicht en vaardigheden verwerven die mensen nodig hebben om op juiste wijze met de levende en niet-levende natuur om te gaan;
- een onderzoekende en waarderende houding ten opzichte van de natuur en een gezond leefmilieu ontwikkelen;
- kennis, inzicht en vaardigheden verwerven ten aanzien van een gezond gedragspatroon dat past bij henzelf en bij de omgeving waarin ze opgroeien.
Bevordering van sociale redzaamheid waaronder gedrag in het verkeer
Doelstelling: het onderwijs in sociale redzaamheid, waaronder gedrag in het verkeer, is erop gericht dat de leerlingen kennis, inzicht en vaardigheden verwerven als consument en als deelnemer aan het verkeer en groepsprocessen.
Met het verkeersonderwijs willen we kennis en vaardigheden bijbrengen en sociaal gedrag aanleren. Samen moeten deze punten leiden tot een veilige verkeersbeleving bij kinderen.
Kortom, we willen dat kinderen
- verkeersregels kennen en toepassen als voetganger en fietser,
- willen handelen in het belang van de veiligheid van de ander en zichzelf.
Om deze punten te kunnen realiseren wordt er uitgegaan van situaties, die aansluiten bij de belevingswereld van de kinderen.
In groep 1/2 staten we met de methode Verkeersveilig. Vanaf groep 3 werken we met de methode Klaar over!
In schooljaar 2003/2004 heeft Het Palet het Brabants Verkeerslabel (BVL-label) verkregen. Wij richten het verkeersonderwijs zodanig in, dat er niet alleen theorie, maar ook integratie met de praktijk gerealiseerd wordt. Daarvoor worden elk schooljaar in alle groepen diverse activiteiten gepland, zoals: behendig-heidsproef, trapvaardigheid, fietscontrole, project de dode hoek, verkenning school-thuisroute voortgezet onderwijs, oversteekdiploma, op voeten en fietsen naar school, bezoek DAF-museum. Om het draagvlak te vergroten hebben we de medewerking van alle ouders nodig. De verkeersouders maken deel uit van de werkgroep.
In groep 7 wordt het verkeersexamen afgenomen. Dit examen omvat een theoretisch en een praktisch gedeelte. De organisatie ervan berust bij Veilig Verkeer Nederland. De kinderen kunnen een diploma behalen waarop vermeld staat voor welk gedeelte men is geslaagd.
Bij al deze vakgebieden maken wij elk jaar een keuze uit het aanbod van de schooltelevisie dat aansluit bij de methoden, zodat wij kunnen werken met materiaal dat uitnodigend en actueel is.
Actief burgerschapsvorming en sociale integratie
In de samenleving ontstaan nieuwe opvattingen over de manier waarop burgers in de maatschappij staan: meer betrokken, meer gericht op het nemen van verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de samenleving, meer oog voor wat mensen bindt. Het onderwijs speelt een belangrijke rol bij die ontwikkeling.
Op 1 februari 2006 is een wet in werking getreden die de scholen voorschrijft om bij te dragen aan de integratie van leerlingen in de Nederlandse samenleving. De school dient aandacht te besteden aan actief burgerschap en sociale integratie. Actief burgerschap verwijst naar de bereidheid en het vermogen deel uit te maken van een gemeenschap en daar een actieve bijdrage aan te leveren; sociale integratie naar deelname van burgers (ongeacht hun etnische of culturele achtergrond) aan de samenleving, in de vorm van sociale participatie, deelname aan de maatschappij en haar instituties en bekendheid met en betrokkenheid bij uitingen van de Nederlandse cultuur.
Bij burgerschap staan drie domeinen centraal:
- Democratie – kennis over de democratische rechtstaat en politieke besluitvorming; democratisch handelen en de maatschappelijke basiswaarden;
- Participatie – kennis over de basiswaarden en mogelijkheden voor inspraak en vaardigheden en houdingen die nodig zijn om op school en in de samenleving actief mee te kunnen doen;
- Identiteit – verkennen van de eigen identiteit en die van anderen; voor welke (levensbeschouwelijke) waarden sta ik en hoe maak ik die waar?
Als basisschool kiezen we bewust voor het ontwikkelen van sociale competenties en het respectvol omgaan met elkaar. Om je tot participerend staatsburger of maatschappelijk burger te kunnen ontwikkelen, is het niveau van goed ‘schoolburger’ de basis. Daarbij is de school een oefenplaats van goed burgerschap. In de klas en op het schoolplein krijgt de leerling te maken met processen, gedragingen en gebeurtenissen die ook voorkomen in de ‘echte’ samenleving. Op school wordt de leerling gestimuleerd voor zijn mening uit te komen en respect te hebben voor mensen die anders zijn. Hij kan zijn competenties verder ontwikkelen, wordt zich bewust van zijn sociale rechten en plichten en kan meedenken en meebeslissen. De school is voor de leerling een venster op de samenleving.
We nemen het komende schooljaar deel aan de pilot ‘burgerschapsvorming’ van het SLO. Een methode voor sociaal-emotionele ontwikkeling ‘kan bij het ontwikkelen van sociale vaardigheden en burgerschapsvorming ondersteunend zijn. We willen daarbij uitgaan van onze identiteit, huidige praktijk en ambitie.
Overigens gaat het bij burgerschapsvorming om meer dan sociale competenties en omgaan met elkaar. Om op een positieve manier aan de samenleving deel te nemen geven we de leerlingen meer mee. Het gaat om zaken als intercultureel onderwijs, sociale, morele en levensbeschouwelijke vorming, milieueducatie, wereldoriëntatie. Burgerschapsvorming is dus geen apart vak, maar is een vanzelfsprekend onderdeel van meerdere vakken.
d. De muzische vakken
Muziek
Bij muziek en dansante vorming gaat het om:
- plezier in het zingen en het maken van muziek;
- het omgaan met muziek als uitdrukkingsmiddel;
- het inzicht krijgen in de functies van muziek;
- de bewegingsmogelijkheden van je lichaam bewust omzetten in dans;
- de betekenis van dans kunnen interpreteren en waarderen.
In groep 4 en 5 geeft een vakleerkracht muziekles. Uitgaande van de kerndoelen geeft de vakleerkracht muziekonderwijs dat vergelijkbaar is met het VIO-onderwijs (Voorbereidend Instrumentaal Onderwijs) van de Muziekschool. In groep 5 krijgen de kinderen de mogelijkheid om blokfluitles te volgen. Op deze manier kunnen ze praktische vaardigheid opdoen in het bespelen van een instrument. De lessen zijn gratis met uitzondering van het te gebruiken materiaal (blokfluit en lesboek).
Hiernaast gebruiken we in alle groepen de methode Moet je doen!
Bewegingsonderwijs
In de groepen 1/2 zijn spel- en bewegingsvormen elke dag in het programma opgenomen. Er wordt gespeeld op de speelplaats en in de speelzaal op school. Vanaf groep 3 krijgen de kinderen twee keer per week gymles in de sporthal naast onze school.
In alle groepen wordt aandacht besteed aan samenspelactiviteiten, technische oefenvormen en sportief en verantwoordelijk gedrag. Leren samenspelen en leren dat sportiviteit belangrijker is dan winnen, zijn wezenlijke aspecten van de gymles.
De school stimuleert de deelname aan sporttoernooien die in de regio worden geor-ganiseerd. Daarnaast besteden we aandacht aan het sport- en bewegingsaanbod in de omgeving. We bezoeken sportverenigingen en organiseren gastlessen.
Ook is er jaarlijks een sport- en speldag voor alle groepen van Het Palet.
Doelstelling: het bewegingsonderwijs is erop gericht, dat de leerlingen:
- kennis, inzicht en vaardigheden verwerven om hun bewegingsmogelijkheden te vergroten;
- een positieve houding ontwikkelen, dan wel behouden, met betrekking tot deelname aan de bewegingscultuur;
- omgaan met elementen als spanning, verlies en winst.
De methode die we als leidraad gebruiken: Basislessen bewegingsonderwijs.
De groepen 5 t/m 8 krijgen hun bewegingsonderwijs van vakleerkrachten.
Tekenen en handvaardigheid
De kinderen maken werkstukken naar de werkelijkheid, naar een idee en op basis van functionele eisen. De zeggingskracht wordt verhoogd door het op juiste wijze combineren van materiaal, techniek en beeldaspecten.
In groep 7 en 8 wordt lesgegeven door een vakleerkracht tekenen/handvaardigheid.
Doelstelling: Het onderwijs in tekenen en handvaardigheid is erop gericht, dat de leerlingen:
- kennis, inzicht en vaardigheden verwerven waarmee ze hun gedachten, gevoelens, waarnemingen en ervaringen op persoonlijke wijze kunnen vormgeven in beeldende producten;
- leren reflecteren op beeldende producten en inzicht verwerven in de wereld om ons heen: de gebouwde omgeving, interieurs, mode en kleding, alledaagse gebruiksvoorwerpen en beeldende kunst;
- kennis en inzicht verwerven dat uitbeelden en vormgeven gebonden zijn aan tijd en aan cultuurgebied.
We gebruiken de methodes Moet je doen en als ideeënbron ook Tekenvaardig, Handvaardig, Textielvaardig. |